wederdoper
zelfstandig naamwoordBetekenis
- aanhanger van radicale godsdiensthervormers, hoogtepunt rond 1534, die o.a. de doop van de volwassenen voorstonden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wederdopers | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘aanhanger van een protestantse beweging die volwassenendoop voorstaat’ voor het eerst aangetroffen in 1544
Woordfamilie van wederdoper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wederdopers | meervoud | wederdoper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wederdoper zijn vastgelegd.