volstrekt
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- geheel en al
- geheel en al, in het geheel
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volstrekken
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volstrekken
- gebiedende wijs meervoud van volstrekken
- voltooid deelwoord van volstrekken
Vervoeging van volstrekt
volstrekthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘onbeperkt, absoluut’ voor het eerst aangetroffen in 1664
Woordfamilie van volstrekt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| volstrekts | woordvorm | volstrekt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volstrekt zijn vastgelegd.