uitgekookt
werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- moeilijk om te slim af te zijn
Woordvorm
- voltooid deelwoord van uitkoken
Vervoeging van uitgekookt
uitgekookthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘sluw’ voor het eerst aangetroffen in 1948
Woordfamilie van uitgekookt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgekookter | woordvorm | uitgekookt |
| uitgekooktere | woordvorm | uitgekookt |
| uitgekookters | woordvorm | uitgekookt |
| uitgekookts | woordvorm | uitgekookt |
| uitgekooktst | woordvorm | uitgekookt |
| uitgekooktste | woordvorm | uitgekookt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgekookt zijn vastgelegd.