tweetalig
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- in twee talen, in twee talen kunnen spreken
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tweetalige | verbogen, stellende trap |
| tweetaligs | partitief, stellende trap |
Herkomst
Samenstellende afleiding van twee en taal met het achtervoegsel -ig
Woordfamilie van tweetalig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tweetalige | verbogen vorm | tweetalig |
| tweetaligs | partitive, positive | tweetalig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tweetalig zijn vastgelegd.