tumtum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- snoepgoed van gekleurde kleine pepermuntjes, chocoladeflikjes en gumballetjes
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tumtums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘snoepgoed’ voor het eerst aangetroffen in 1920
Woordfamilie van tumtum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tumtums | meervoud | tumtum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tumtum zijn vastgelegd.