trust
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het (illegaal) samenwerken van bedrijven met het doel een monopoliepositie te krijgen
- beheersvorm waarbij de beheerder handelt als eigenaar
- vertrouwen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trusts | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vorm van bedrijfsconcentratie’ voor het eerst aangetroffen in 1896
Woordfamilie van trust
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trusts | meervoud | trust |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trust zijn vastgelegd.