trachea
zelfstandig naamwoord traˈxejaBetekenis
- buis voor ademhaling die bij mensen en andere warmbloedige dieren de keel met de longen verbindt
- ademhalingsbuisje bij insecten
- houtvaten voor het transport van water in planten
Hoe spreek je trachea uit?
/traˈxeja/
Trachea bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| x | acht |
| e | veel |
| j | ja |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- houtvat voor het transport van water in planten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trachea's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘luchtpijp’ voor het eerst aangetroffen in 1886
Woordfamilie van trachea
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trachea's | meervoud | trachea |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trachea zijn vastgelegd.