tijdslot
zelfstandig naamwoord ˈtɛitslɔtBetekenis
- afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt zodat het na opening met sleutel of code pas ontgrendelt na een bepaalde tijd
- afgebakende periode waarbinnen men recht op iets heeft, zoals toegang tot een tentoonstelling of zendtijd in een reclameblok
Hoe spreek je tijdslot uit?
/ˈtɛitslɔt/
Tijdslot bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| l | land |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] | canonical |
| tijdsloten | enkelvoud |
| tijdslotje | verkleinwoord |
| tijdslotjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
| tijdslotje | verkleinwoord |
| tijdslotjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| tijdslots | enkelvoud |
Herkomst
samenstelling van tijd zn en slot zn **[A] in de betekenis "afsluitmechanisme" **[B] in de betekenis "afgebakende periode", leenvertaling van Engels timeslot
Woordfamilie van tijdslot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tijdsloten | enkelvoud | tijdslot |
| tijdslotje | verkleinwoord | tijdslot |
| tijdslotjes | verkleinwoord | tijdslot |
| tijdslots | enkelvoud | tijdslot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tijdslot zijn vastgelegd.