thuja
zelfstandig naamwoordBetekenis
- groenblijvend geslacht van coniferen
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor groenblijvende boompjes uit het geslacht Thuja
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| thuja's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘geslacht van coniferen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
Woordfamilie van thuja
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| thuja's | meervoud | thuja |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuja zijn vastgelegd.