thuiswacht
zelfstandig naamwoord ˈtœyswɑxtBetekenis
- iemand die thuis moet blijven om op het huis, kinderen en huisdieren moet passen als de bewoners voor langere tijd afwezig zijn
- organisatie die op een huis past als de bewoners (voor langere tijd) afwezig zijn
- het aan de beurt zijn op te moeten oppassen
Hoe spreek je thuiswacht uit?
/ˈtœyswɑxt/
Thuiswacht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| œy | huis |
| s | sok |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| thuiswachten | meervoud |
Herkomst
samenstelling van thuis zn en wacht zn
Woordfamilie van thuiswacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| thuiswachten | meervoud | thuiswacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuiswacht zijn vastgelegd.