target
zelfstandig naamwoord ˈtɑrɡətBetekenis
- doel, streefwaarde
- grootte van de nagestreefde omzet van een bedrijf of deel daarvan
- waarde die een aandeel op de beurs volgens deskundigen op afzienbare termijn (enkele maanden tot een jaar) zal bereiken
- materiaal dat in een deeltjesversneller als doelwit dient voor de bundel versnelde deeltjes
- roos, doelwit
- als doelwit nemen
Hoe spreek je target uit?
/ˈtɑrgət/
Target bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| g | goal |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| targets | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘omzetdoelstelling’ voor het eerst aangetroffen in 1989
Woordfamilie van target
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| targets | meervoud | target |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van target zijn vastgelegd.