taan
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- bederfwerende bruingele verfstof, aftreksel van eikenschors
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanen
- gebiedende wijs van tanen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanen
Vervoeging van taan
taanhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontsmettende verfstof, aftreksel van eikenschors’ voor het eerst aangetroffen in 1456