syntactisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- betrekking hebbend op de syntaxis, de zinsbouw
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| syntactische | verbogen, stellende trap |
| syntactischer | onverbogen, vergrotende trap |
| syntactischere | verbogen, vergrotende trap |
| syntactischers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘volgens de syntaxis’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van syntactisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| syntactische | verbogen vorm | syntactisch |
| syntactischer | vergrotende trap | syntactisch |
| syntactischere | verbogen vergrotende trap | syntactisch |
| syntactischers | partitieve vergrotende trap | syntactisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van syntactisch zijn vastgelegd.