stuc
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- zand, kalk en gebrand gips of marmerpoeder
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuccen
- gebiedende wijs van stuccen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuccen
Vervoeging van stuc
stuchele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Italiaans, in de betekenis van ‘pleisterkalk’ voor het eerst aangetroffen in 1604