stigma
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een uiterlijk kenmerk dat afbreuk doet aan iemands reputatie
- wonden van Jezus na de kruisiging
- deel van de stamper van een plant
- bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stigma's | meervoud |
| stigmata | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘merkteken’ voor het eerst aangetroffen in 1660
Woordfamilie van stigma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stigma's | meervoud | stigma |
| stigmata | meervoud | stigma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stigma zijn vastgelegd.