steengoed
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈsteŋɣutBetekenis
- heel erg goed, buitengewoon goed
- keramiek van gresklei gebakken op een temperatuur van meer dan 1200 graden Celsius
Hoe spreek je steengoed uit?
/ˈsteŋxut/
Steengoed bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| steengoede | verbogen, stellende trap |
| steengoeds | partitief, stellende trap |
Herkomst
bn intensiverende samenstelling van steen zn en goed bn , in de betekenis van ‘heel goed’ voor het eerst aangetroffen in 1947
Woordfamilie van steengoed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steengoede | verbogen vorm | steengoed |
| steengoederen | meervoud | steengoed |
| steengoeds | partitive, positive | steengoed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steengoed zijn vastgelegd.