squash
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- racketsport waarbij twee spelers om de beurt proberen de squashbal in een bepaalde zone tegen de muur te slaan
- platslaan, tot moes slaan
- proppen, inproppen, stouwen
squash in een zin
- Op donderdagavond spelen ze squash in de hal.
- Hij nam zijn racket mee naar de squashbaan.
- Squash bleek sneller dan ze had verwacht.
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van squashen
- gebiedende wijs van squashen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van squashen
Vervoeging van squash
squashhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1953