snoeshaan
zelfstandig naamwoordBetekenis
- rare, vreemde kerel
- iemand die wel heel tevreden met zichzelf is en daar ook voor uitkomt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| snoeshanen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘snuiter’ voor het eerst aangetroffen in 1617
Woordfamilie van snoeshaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| snoeshanen | meervoud | snoeshaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snoeshaan zijn vastgelegd.