sleur
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- handelwijze uit gewoonte, routine
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleuren
- gebiedende wijs van sleuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleuren
Vervoeging van sleur
sleurhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘door herhaling ontstane gewoonte’ voor het eerst aangetroffen in 1642