sleet
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- slijtage
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van slijten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleeën
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleeën
- gebiedende wijs meervoud van sleeën
Vervoeging van sleet
sleethele werkwoord
Herkomst
uit Middelnederlands slete, afgeleid van slijten