slapstick
zelfstandig naamwoordBetekenis
- film of toneelstuk (komedie) met veel gooi-en-smijtwerk vooral van slagroomtaarten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slapsticks | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘gooi- en smijtopvoering’ voor het eerst aangetroffen in 1967
Woordfamilie van slapstick
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slapsticks | meervoud | slapstick |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slapstick zijn vastgelegd.