sinus
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de verhouding van de lengte van een loodlijn die van een der benen van een hoek op het andere been wordt neergelaten, tot het beenstuk waarvan wordt uitgegaan
zelfstandig naamwoord — masculine
- holte of instulping zonder eigen wand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sinussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhoudingsgetal’ voor het eerst aangetroffen in 1614
Woordfamilie van sinus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sinussen | meervoud | sinus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sinus zijn vastgelegd.