ribes
zelfstandig naamwoord ˈribɛsBetekenis
- aalbes; vrucht van de aalbesstruik
Hoe spreek je ribes uit?
/ˈribɛs/
Ribes bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| i | riet |
| b | bak |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een geslacht Ribes van struiken (of soms bomen). Het geslacht omvat ook de planten die eerder het geslacht Grossularia vormden. In deze omschrijving omvat het geslacht circa 150 à 160 soorten die voorkomen in de gematigde streken van het noordelijk halfrond en in de Andes. In Nederland en België komen vijf soorten voor
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ribessen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1500
Woordfamilie van ribes
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ribessen | meervoud | ribes |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ribes zijn vastgelegd.