rechts
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord rɛx(t)sBetekenis
- tegenovergestelde van links
- betrekking hebbend op een politieke richting of denkwijze aan de rechterzijde van het politieke spectrum
- rechtshandig
Hoe spreek je rechts uit?
/rɛxts/
Rechts bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rechtse | verbogen, stellende trap |
| rechtser | onverbogen, vergrotende trap |
| rechtsere | verbogen, vergrotende trap |
| rechtsers | partitief, vergrotende trap |
| rechtst | onverbogen, overtreffende trap |
| rechtste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van recht
- partitief van de stellende trap van rechts
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rechtse | verbogen, stellende trap |
| rechtser | onverbogen, vergrotende trap |
| rechtsere | verbogen, vergrotende trap |
| rechtsers | partitief, vergrotende trap |
| rechtst | onverbogen, overtreffende trap |
| rechtste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- genitief enkelvoud van recht
zelfstandig naamwoord — neuter
- de gehele rechtse beweging
Herkomst
In de betekenis van ‘aan de rechterzijde’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van rechts
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rechtse | verbogen vorm | rechts |
| rechtser | vergrotende trap | rechts |
| rechtsere | verbogen vergrotende trap | rechts |
| rechtsers | partitieve vergrotende trap | rechts |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rechts zijn vastgelegd.