rabauw
zelfstandig naamwoordBetekenis
- ruw persoon van het minste allooi
- soort appel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rabauwen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schurk’ voor het eerst aangetroffen in 1460
Woordfamilie van rabauw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rabauwen | meervoud | rabauw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rabauw zijn vastgelegd.