plastisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- aanschouwelijk, beeldend
- gericht op het geven van een vorm
- kneedbaar
- de groei of de vorming van een levend organisme veroorzakend of bevorderend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plastische | verbogen, stellende trap |
| plastischer | onverbogen, vergrotende trap |
| plastischere | verbogen, vergrotende trap |
| plastischers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gekenmerkt door het geven van een vorm’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van plastisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plastische | verbogen vorm | plastisch |
| plastischer | vergrotende trap | plastisch |
| plastischere | verbogen vergrotende trap | plastisch |
| plastischers | partitieve vergrotende trap | plastisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plastisch zijn vastgelegd.