patriarch
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kerkelijk leider, een belangrijke bisschop
- de leider van een van de oosterse christelijke kerken
- een van de aartsvaders uit het Oude Testament (Abraham, Isaak, Jacob)
- mannelijk hoofd van de familie
- wijze oude man in het algemeen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| patriarchen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘aartsvader’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van patriarch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| patriarchen | meervoud | patriarch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van patriarch zijn vastgelegd.