paasweekeinde
zelfstandig naamwoordBetekenis
- periode van paaszaterdag tot en met tweede paasdag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paasweekeinden | meervoud |
| paasweekeindes | meervoud |
Herkomst
samenstelling van Pasen zn en weekeinde zn
Woordfamilie van paasweekeinde
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paasweekeinden | meervoud | paasweekeinde |
| paasweekeindes | meervoud | paasweekeinde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paasweekeinde zijn vastgelegd.