onafscheidbaar
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- dat iets niet van een andere zaak te scheiden is
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| onafscheidbaarder | onverbogen, vergrotende trap |
| onafscheidbaardere | verbogen, vergrotende trap |
| onafscheidbaarders | partitief, vergrotende trap |
| onafscheidbaars | partitief, stellende trap |
| onafscheidbaarst | onverbogen, overtreffende trap |
| onafscheidbaarste | verbogen, overtreffende trap |
| onafscheidbare | verbogen, stellende trap |
Herkomst
afleiding van afscheidbaar met het voorvoegsel on-
Woordfamilie van onafscheidbaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onafscheidbaarder | vergrotende trap | onafscheidbaar |
| onafscheidbaardere | verbogen vergrotende trap | onafscheidbaar |
| onafscheidbaarders | partitieve vergrotende trap | onafscheidbaar |
| onafscheidbaars | partitive, positive | onafscheidbaar |
| onafscheidbaarst | uninflected, superlative | onafscheidbaar |
| onafscheidbaarste | inflected, superlative | onafscheidbaar |
| onafscheidbare | verbogen vorm | onafscheidbaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onafscheidbaar zijn vastgelegd.