ogief
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kruisboog van een gotisch gewelf, waarvan de uitspringende armen, de welfribben of graten, elkaar diagonaalsgewijs in de top kruisen
- Bij uitbreiding ook gezegd voor de eveneens gotische spitsboog of puntboog
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ogieven | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spitsboog’ voor het eerst aangetroffen in 1440
Woordfamilie van ogief
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ogieven | meervoud | ogief |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ogief zijn vastgelegd.