oestrus
zelfstandig naamwoord ˈøstrʏsBetekenis
- vruchtbare periode van een vrouwelijk dier
- een vliegengeslacht uit de familie van de horzels
Hoe spreek je oestrus uit?
/ˈøstrʏs/
Oestrus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ø | deur |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor vliegen uit het geslacht Oestridae in de familie van de horzels
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oestrussen | meervoud |
Herkomst
uit het Latijn
Woordfamilie van oestrus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oestrussen | meervoud | oestrus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oestrus zijn vastgelegd.