oefenaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die een ander een bepaalde vaardigheid aanleert
- was iemand die mocht preken in een godsdienstoefening van een protestantse gemeente en ook zelf zijn preken mocht maken, dit in tegenstelling tot de preeklezer in de leesdienst, die alleen preken van anderen mag voorlezen.
- iemand die iets leert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oefenaars | meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van oefenen met het achtervoegsel -aar
Woordfamilie van oefenaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oefenaars | meervoud | oefenaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oefenaar zijn vastgelegd.