nors
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- onvriendelijk, zwijgzaam, kortaf
bijvoeglijk naamwoord
- onvriendelijk en/of kortaf
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| norse | verbogen, stellende trap |
| norser | onverbogen, vergrotende trap |
| norsere | verbogen, vergrotende trap |
| norsers | partitief, vergrotende trap |
| norst | onverbogen, overtreffende trap |
| norste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Etymologie onzeker; er lijkt een duidelijk verband met norren, maar dit werkwoord lijkt pas van later te zijn. Anders mogelijk van noord met het achtervoegsel -s. In de betekenis van ‘onvriendelijk, stuurs’ voor het eerst aangetroffen in 1350.
Woordfamilie van nors
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| norse | verbogen vorm | nors |
| norser | vergrotende trap | nors |
| norsere | verbogen vergrotende trap | nors |
| norsers | partitieve vergrotende trap | nors |
| norst | uninflected, superlative | nors |
| norste | inflected, superlative | nors |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nors zijn vastgelegd.