gemelijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- slecht van humeur, niet vriendelijk gestemd, knorrig, misnoegd, slechtgehumeurd
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gemelijke | verbogen, stellende trap |
| gemelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| gemelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| gemelijkers | partitief, vergrotende trap |
| gemelijks | partitief, stellende trap |
| gemelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| gemelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘misnoegd’ voor het eerst aangetroffen in 1447
Woordfamilie van gemelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemelijke | verbogen vorm | gemelijk |
| gemelijker | vergrotende trap | gemelijk |
| gemelijkere | verbogen vergrotende trap | gemelijk |
| gemelijkers | partitieve vergrotende trap | gemelijk |
| gemelijks | partitive, positive | gemelijk |
| gemelijkst | uninflected, superlative | gemelijk |
| gemelijkste | inflected, superlative | gemelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gemelijk zijn vastgelegd.