normaliteit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het normaal zijn
- de equivalentie (neq) gedeeld door het volume:
zelfstandig naamwoord
- de equivalentie (n_(eq)) gedeeld door het volume: obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| normaliteiten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het normaal zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van normaliteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| normaliteiten | meervoud | normaliteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van normaliteit zijn vastgelegd.