nationaliteit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- Het bezit van het staatsburgerschap van een land of meer landen, officiële registratie in een staat;
- Het op grond van herkomst of afstamming behoren tot een bepaald etniciteit en (indien aanwezig) de natie; nationaliteit staat in deze definitie los van het staatsburgerschap
zelfstandig naamwoord
- Het bezit van het staatsburgerschap van een land of meer landen, officiële registratie in een staat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nationaliteiten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het behoren tot een bepaalde natie’ voor het eerst aangetroffen in 1829
Woordfamilie van nationaliteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nationaliteiten | meervoud | nationaliteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nationaliteit zijn vastgelegd.