motorrijtuig
zelfstandig naamwoord ˈmotɔˌrɛitœyxBetekenis
- volgens de definitie van de Nederlandse Wegenverkeerswet: door een motor voortbewogen, niet langs rails geleid voertuig
- spoorvoertuig voor het vervoer van reizigers of post dat zichzelf, zonder aan andere voertuigen vastgekoppeld te zijn, kan voortbewogen
Hoe spreek je motorrijtuig uit?
/ˈmotɔˌrɛitœyx/
Motorrijtuig bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| œy | huis |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| motorrijtuigen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘officiële benaming voor auto's en motorfietsen’ voor het eerst aangetroffen in 1905
Woordfamilie van motorrijtuig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| motorrijtuigen | meervoud | motorrijtuig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van motorrijtuig zijn vastgelegd.