manwijf
zelfstandig naamwoordBetekenis
- forse, ruwe, bazige vrouw
- vrouw die er uitziet en zich gedraagt als een man
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| manwijven | meervoud |
Herkomst
Oorspronkelijk vooral gespeld als mannenwijf, in de betekenis van “getrouwde vrouw”, de echtgenote van een man”, aangetroffen in de 15e eeuw.
Woordfamilie van manwijf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| manwijven | meervoud | manwijf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manwijf zijn vastgelegd.