malus
zelfstandig naamwoord ˈmalʏsBetekenis
- verhoging van een verzekeringspremie volgens een bepaalde maatstaf als een verzekerde een uitkering heeft geclaimd of door ander gedrag een hoger risico lijkt te vormen
- volgens een bepaalde maatstaf verhoogde betaling of verlaagde uitkering voor een bepaalde periode als afgesproken resultaten onvoldoende zijn bereikt
- slecht, ongunstig, nadelig
- nuntius malus
- slecht nieuws
- gemeen, laag
- ambitio malus
- onoprechte eerzucht
- fides malus
- kwade trouw
- oneerlijk, onbetrouwbaar
- (politiek) kwaadgezind
- (poëtisch) ondeugend
- onbekwaam
- gebrekkig
- ongeschikt
- onbetekenend
- lelijk (van uiterlijk)
- schadelijk
- gramina mala
- giftig
- carmen mala
- smaaddicht
- res malus
- straf
- (poëtisch) lastig, drukkend'
- aetas malas
- ouderdom
- appelboom, vruchtboom
- paal, balk (in een toren of wijnpers)
- mast (van een schip)
Hoe spreek je malus uit?
/ˈmalʏs/
Malus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| l | land |
| ʏ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| malussen | meervoud |
Herkomst
van Latijn malus bn "nadelig"
Woordfamilie van malus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| malussen | meervoud | malus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van malus zijn vastgelegd.