lila
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈlilaBetekenis
- lichtpaars
- hebbend
- licht paars
- gemiddeld
- fliederblau, fliederfarben, fliederfarbig, veilchenblau, veilchenfarben, veilchenfarbig
- blau, rot, gelb, grün
- bunt, farbig
- helllila
- paars
Hoe spreek je lila uit?
/ˈlila/
Lila bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| i | riet |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- lichte tint van paars
bijvoeglijk naamwoord
- de kleur lila hebbend
Herkomst
van Frans lilas, in de betekenis van ‘lichtblauw paars’ voor het eerst aangetroffen in 1833
Woordfamilie van lila
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lila's | meervoud | lila |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lila zijn vastgelegd.