lefdoekje
zelfstandig naamwoord ˈlɛvdukjəBetekenis
- een vierkante doek die opgevouwen in het borstzakje van een jasje, een blazer of een dinnerjacket wordt gedragen, op zo'n wijze dat deze nog gedeeltelijk zichtbaar is
Hoe spreek je lefdoekje uit?
/ˈlɛvdukjə/
Lefdoekje bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| v | vis |
| d | dak |
| u | boek |
| k | kat |
| j | ja |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vierkant doekje dat men als decoratie nog net zichtbaar opgevouwen draagt in het borstzakje van een colbert, blazer of dinnerjacket informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lefdoekjes | meervoud |
Herkomst
alleen verkleinwoord; samenstelling van lef zn en doekje zn
Woordfamilie van lefdoekje
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lefdoekjes | meervoud | lefdoekje |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lefdoekje zijn vastgelegd.