lavendel
zelfstandig naamwoord laˈvɛndəlBetekenis
- Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae die vaak is terug te vinden in tuinen omwille van de paarse kleur en de geur van de bloemen
- de kleur van lavendel
- lavendel, een vaste struik met blauwviolette bloemen en kleine smalle zilvergrijze blaadjes, meestal gebruikt voor decoratie en om de geurige lavendelolie te extraheren
- bloemen van struiken van het geslacht lavendel, in gedroogde staat gebruikt voor het parfumeren van badwater en kleding, als middel tegen motten en als medicijn in de volksgeneeskunde
Hoe spreek je lavendel uit?
/laˈvɛndəl/
Lavendel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| a | maan |
| v | vis |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een geslacht Lavandula van dwergstruiken (chamefyten) uit de lipbloemenfamilie (Lamiaceae). Lavendelsoorten worden aangeplant in tuinen omwille van de paarse kleur en de geur van de bloemen
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘heestergeslacht, de bloemen daarvan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350