kunnen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkʏnə(n)Betekenis
- in staat zijn, het vermogen hebben tot iets
- het intrinsieke vermogen, de eigenschap, aanleg, neiging, geschiktheid e.d. voor iets bezitten
- mogelijkerwijs in een bepaalde veronderstelde toestand verkeren
- in de gelegenheid zijn
- mogelijk zijn
- zichzelf tot verbazing van de spreker ergens toe weten te zetten
- drukt het geoorloofd, betamelijk, gepast e.d. van iets zijn uit
- ± mogen 1/moeten
- kennen (deze oorspronkelijke betekenis werd in het Noord-Nederlands al vanaf de 17e eeuw door 'kennen' verdrongen)
Hoe spreek je kunnen uit?
/ˈkʏnən/
Kunnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ʏ | put |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ± mogen [1]/moeten modal, verb
- kennen informal, transitive
Vervoeging van kunnen
kunnenhele werkwoord — gekundvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| konden (meerv.) | verleden tijd |
| gekund | verleden tijd, deelwoord |
| kon (enkelv.) | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kunne
Herkomst
In de betekenis van ‘in staat zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van kunnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekund | voltooid deelwoord | kunnen |
| gekunde | woordvorm | kunnen |
| gekunnen | woordvorm | kunnen |
| kon | woordvorm | kunnen |
| konden | woordvorm | kunnen |
| kondt | woordvorm | kunnen |
| kunnend | woordvorm | kunnen |
| kunnende | woordvorm | kunnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kunnen zijn vastgelegd.