kritisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- ernaar geneigd zijn iets af te keuren
- onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen.
bijvoeglijk naamwoord
- ernaar geneigd zijn iets te beoordelen (en dus vaak af te keuren)
- op het punt van de ene toestand over te gaan in de andere
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kritische | verbogen, stellende trap |
| kritischer | onverbogen, vergrotende trap |
| kritischere | verbogen, vergrotende trap |
| kritischers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘op het punt van de ene toestand over te gaan in de andere’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872
Woordfamilie van kritisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kritische | verbogen vorm | kritisch |
| kritischer | vergrotende trap | kritisch |
| kritischere | verbogen vergrotende trap | kritisch |
| kritischers | partitieve vergrotende trap | kritisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kritisch zijn vastgelegd.