klinisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
- betreffende patiëntenonderzoek
- betreffende een kliniek
- afstandelijk
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klinische | verbogen, stellende trap |
| klinischer | onverbogen, vergrotende trap |
| klinischere | verbogen, vergrotende trap |
| klinischers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘m.b.t. een kliniek’ voor het eerst aangetroffen in 1815
Woordfamilie van klinisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klinische | verbogen vorm | klinisch |
| klinischer | vergrotende trap | klinisch |
| klinischere | verbogen vergrotende trap | klinisch |
| klinischers | partitieve vergrotende trap | klinisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klinisch zijn vastgelegd.