kleinburgerlijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- met betrekking tot het gedeelte van de bevolking van een stad die behoort tot de sociale laag tussen de arbeidersklasse en de 'grote' burgerij
- hebbende de opvattingen van het kleinburgerlijke milieu, benepen, bekrompen, geborneerd
bijvoeglijk naamwoord
- met betrekking tot het gedeelte van de bevolking van een stad die behoort tot de sociale laag tussen de arbeidersklasse en de "grote" burgerij
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kleinburgerlijke | verbogen, stellende trap |
| kleinburgerlijker | onverbogen, vergrotende trap |
| kleinburgerlijkere | verbogen, vergrotende trap |
| kleinburgerlijkers | partitief, vergrotende trap |
| kleinburgerlijks | partitief, stellende trap |
| kleinburgerlijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| kleinburgerlijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Ontleend aan Duits kleinbürgerlich, vernederlandst met het achtervoegsel -lijk, aangetroffen vanaf 1842, voor een vindplaats zie hieronder.
Woordfamilie van kleinburgerlijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kleinburgerlijke | verbogen vorm | kleinburgerlijk |
| kleinburgerlijker | vergrotende trap | kleinburgerlijk |
| kleinburgerlijkere | verbogen vergrotende trap | kleinburgerlijk |
| kleinburgerlijkers | partitieve vergrotende trap | kleinburgerlijk |
| kleinburgerlijks | partitive, positive | kleinburgerlijk |
| kleinburgerlijkst | uninflected, superlative | kleinburgerlijk |
| kleinburgerlijkste | inflected, superlative | kleinburgerlijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleinburgerlijk zijn vastgelegd.