kettingroker
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die de ene sigaret met de andere aansteekt en dus voortdurend rookt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kettingrokers | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘iem. die voortdurend rookt’ voor het eerst aangetroffen in 1961
Woordfamilie van kettingroker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kettingrokers | meervoud | kettingroker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kettingroker zijn vastgelegd.