Jiddisch
eigennaam, bijvoeglijk naamwoord ˈjɪdisBetekenis
- Germaanse taal die door Joden over de hele wereld wordt gesproken
- behorend tot, gesteld in het Jiddisch
- van of betrekking hebbend op Joden (uit Centraal-Europa)
- taal van Asjkenazische joden die omstreeks 1000 in de Rijnstreek is ontstaan, zich vandaar over de hele wereld heeft verspreid en voor de Tweede Wereldoorlog door ruim tien miljoen joden werd gesproken; gebaseerd op Duitse dialecten, met Romaanse invloeden en veel Hebreeuwse en Aramese elementen; geschreven met Hebreeuwse letters
Hoe spreek je Jiddisch uit?
/ˈjɪdis/
Jiddisch bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɪ | pit |
| d | dak |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (eigennaam)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Jiddisj |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Jiddisj |
Herkomst
van Jiddisch ייִדיש (jiddisch) letterlijk: 'Joods', geschreven met een hoofdletter volgens spellingregel 16.I en spellingregel 16.J, op te vatten als afgeleid van jid met het achtervoegsel -isch
Woordfamilie van Jiddisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Jiddische | woordvorm | Jiddisch |
| Jiddischer | woordvorm | Jiddisch |
| Jiddischere | woordvorm | Jiddisch |
| Jiddischers | woordvorm | Jiddisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Jiddisch zijn vastgelegd.