jaspis
zelfstandig naamwoord ˈjɑspɪsBetekenis
- een halfedelsteen; een onzuivere variant van kwarts
Hoe spreek je jaspis uit?
/ˈjɑspɪs/
Jaspis bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- onzuivere variant van kwarts no-plural
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorwerp door bewerking uit het gelijknamige mineraal gemaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jaspissen | enkelvoud |
Herkomst
via Middelnederlands jaspis van Latijn iaspis, in de betekenis van ‘steensoort’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van jaspis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jaspissen | enkelvoud | jaspis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jaspis zijn vastgelegd.