isoglosse
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lijn op een dialectkaart (isoglossekaart) die gebieden begrenst waarbinnen een bepaald taalverschijnsel voorkomt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| isoglossen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘grenslijn van een taalverschijnsel’ voor het eerst aangetroffen in 1915
Woordfamilie van isoglosse
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| isoglossen | meervoud | isoglosse |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van isoglosse zijn vastgelegd.